Op het moment dat ik bezig ben met het schrijven van een nieuwe blog krijg ik onderstaande tweets binnen van Kim Castenmiller, zij is één van de mensen die in mijn ogen voorop loopt in het Nieuwe Werken. Als workshopbegeleider is zij aanwezig bij 'De week van de Inspiratie', georganiseerd door het ICT-Centrum van de Belastingdienst. Haar tweets zijn de perfecte aansluiting op de boodschap van mijn blog die gaat over een column in de Intermediair uit 1994 over de Lerende Organisatie die ik samen met Jorrit van der Togt geschreven heb.
Quote: Conclusie voor organisaties: weg met de strategieën die gaan over 'first time right', 'in een keer goed' etc :) #wvdi
Quote: De essentie tot nu toe: verwacht fouten, koester ze (ook als je klant ermee komt), leer ervan en bereik daarmee topprestaties! #wvdi
Het valt mij op en ik vind het zelfs zeer frappant hoe duidelijk er een verband gelegd kan worden tussen Het Nieuwe Werken en de Lerende Organisatie. Als ik de wereld van nu vergelijk met de wereld van toen is er van een aantal verschillen één belangrijk verschil dat echt opvalt: de vergaande digitalisering. De technische mogelijkheden die er zijn om het leren tussen mensen en het samenwerken op afstand te vergemakkelijken zijn fantastisch! Konden wij toen ook maar enigszins vermoeden dat de wereld er anno 2011 uit zou zien als nu? De ideeënwereld achter de Lerende Organisatie is volgens mij een perfecte aanvulling op het Nieuwe Werken. Hieronder een aantal fragmenten uit de genoemde column!De functionele organisatie waarbij volgens ‘het boekje’ en dus voorspelbaar, gecontroleerd en efficiënt wordt gewerkt, waarin hiërarchie de dominante beheersingsvorm is, waarin het een ongeschreven regel is niet teveel van de regels af te wijken, is aan revisie toe, zo wordt alom geroepen. Immers functionele organisaties zijn in één ding heel erg slecht, namelijk in zich aanpassen aan (snel) veranderende omstandigheden.
Functionele organisaties ontstaan maar al te vaak vanuit de gedachte dat medewerkers precies verteld moet worden wat ze moeten doen en hoe ze zich daartoe dienen te gedragen. Het uiteindelijke gevolg is een verschijnsel dat binnen de psychologie ook wel wordt aangeduid als aangeleerde hulpeloosheid.
Een proef met dieren ter illustratie. Twee groepen honden werden in één van de twee kooien A en B geplaatst. In kooi A bevond zich een hek waarover de honden heen konden springen, in kooi B niet. In beide kooien werd regelmatig een luide piep ten gehore gebracht, waarna een stroomstoot volgde. De honden in kooi A leerden al snel over het hek heen te springen om de stroomstoot te vermijden, de honden in kooi B ondergingen na verloop van tijd gelaten de stroomstoten. Na enige tijd werden de honden van kooi gewisseld. Wat bleek? De honden die niet hadden geleerd om over het hek te springen kwamen ook nu niet op de gedachte te springen. Ondanks het feit dat er wel een uitweg was, ondergingen zij de stroomstoten nog steeds gelaten; aangeleerde hulpeloosheid.
Het verschijnsel aangeleerde hulpeloosheid is door de psycholoog Martin Seligman (1975) uitvoerig bij mensen onderzocht. Hij ontdekte dat ook mensen die zich langdurig in een situatie bevinden waarin zij het gevoel hebben geen controle uit te kunnen oefenen op hun omgeving, geneigd zijn om deze machteloosheid te aanvaarden. Nieuwe initiatieven en negatieve prikkels worden vervolgens beantwoord met een vertrouwde dosis passiviteit.
Organisaties die met bovengenoemde symptomen kampen worden door INSEAD hoogleraar en psycho-analyticus Manfred Kets de Vries niet voor niets aangeduid met de term depressieve organisaties. Depressieve functionele organisaties onderscheiden zich van andere organisaties door een gebrek aan vertrouwen, extreem conservatisme en er heerst een sfeer van doelloosheid en passiviteit (Kets de Vries, 1991). En dat terwijl de onzekerheid over wat morgen moet gebeuren toeneemt...
.... Organisatie(units) moeten ondernemender worden en dus een hogere slagkracht en adaptiviteit gaan vertonen en dit alles met een ‘low cost drive’. Dit heeft natuurlijk de nodige gevolgen voor het gewenste gedrag van medewerkers, managers en de teams waarin zij samenwerken. In tegenstelling tot de ‘command en controlecultuur’ dienen zij verantwoordelijkheid te dragen en een maximale flexibiliteit te waarborgen. Hiermee is het concept van de lerende organisatie een feit geworden….
De lerende organisatie is een radicale breuk met de functionele organisatie. In plaats van efficiency en beheersing: doelgericht experimenteren op alle managementniveau’s en het maken van ‘intelligente’ kleine fouten. In plaats van volgens het boekje werken: constructief van mening verschillen en fouten durven toegeven. In plaats van stapsgewijze veranderingen: continue veranderingen. In plaats van besluitvorming op basis van hiërarchie: besluitvorming na constructieve dialoog. Het concept van de lerende organisatie is cola over de vastgeroeste bouten van de risicomijdende functionele organisatie….
Dit realiseren is echter geen gemakkelijke opgave. Het vereist volgens Senge (1990), een verandering van denken, waarbij mensen naar het geheel van de business moeten kijken en niet naar de deelproblemen waar zij in hun positie voor staan.
Tevens zou een ieder er naar moeten streven om eigen talenten te ontwikkelen, ten behoeve van zichzelf en ten behoeve van het geheel en zou een ieder gemotiveerd moeten zijn om eigen, persoonsbepaalde, mentale modellen te toetsen. Explicitering van persoonlijke visies is noodzakelijk om tot een gemeenschappelijke visie te komen. Tot slot is het van belang dat een team het vermogen bezit om te leren, gemeenschappelijke reflectie is een ‘must’.
Dit alles zou een permanente aandacht moeten gaan krijgen binnen iedere zichzelf respecterende organisatie.
Need I say More?

