maandag 31 oktober 2011

HardLeers?

Hoe zou het zijn als er slechts gezinspsychologen in het parlement zouden zitten? Hoe zou de discussie over Mauro dan verlopen? Alhoewel ik denk dat Nederland er niet per sé beter van zou worden als het land door psychologen zou worden bestuurd, denk ik dat het besluit om Mauro een permanente verblijfsvergunning te geven, snel zou worden genomen. Vanuit psychologisch perspectief is er namelijk niets aan de hand met Mauro. Hij functioneert, zo lijkt het althans op basis van de informatie die mij via de media toekomt, prima. Ook binnen het pleeggezin is hij op z'n plek en krijg ik de indruk dat hij zeer gehecht is aan zijn (niet biologische) moeder en vader. Kortom: vanuit psychologisch perspectief hebben we het hier over een succesverhaal. Mauro tegen zijn wil een enkele reis Angola aanbieden omdat hij zichzelf daar wellicht wel weer zou kunnen redden, zou een bizarre gedachte zijn. Het zou voor hem en zijn omgeving te veel schade aanrichten. Het is begrijpelijk dat hierover veel ophef is ontstaan binnen de samenleving.

Helaas voor Mauro wordt ons land niet bestuurd door psychologen maar door mensen die ook vanuit ander perspectieven naar zijn situatie kijken. Vanwege het feit dat hij als negenjarig kind door zijn biologische ouders op het vliegtuig is gezet, heeft hij in Nederland geen permanente verblijfsstatus. De argumenten die worden aangedragen om hem terug te sturen naar Angola zijn vooral van juridische aard met een politiek sausje. De situatie van Mauro is getoetst aan de wet en het resultaat is negatief. Zijn positie is niet schrijnend genoeg om af te wijken van de norm. Indien minister Leers toch zou besluiten om hem in Nederland te laten blijven dan is er een precedentwerking met alle gevolgen(?) van dien. Er wordt momenteel met man en macht gezocht naar een oplossing die binnen de juridische en politieke context haalbaar is zodat de druk (tijdelijk) van de ketel is.





Al met al is een lastig dilemma ontstaan die in de tweede kamer tot een splitsing heeft geleid waarin twee groepen elk één van de twee tegenpolen vertegenwoordigt. Een dilemma is een cognitief construct (simpel gezegd een opvatting of gedachte) dat bestaat uit twee keuzemogelijkheden voor de betrokkene die elkaar in zijn ogen volkomen uitsluiten. De energie die het kost om enerzijds te moeten kiezen, anderzijds niet te kunnen kiezen, zorgt voor een grote psychische druk, wat zeer vermoeiend is voor degene die het dilemma gecreëerd heeft.

Wanneer een dilemma de samenwerking tussen twee partijen kleurt, wat het geval is in het geval rondom het vraagstuk van Mauro, is er nauwelijks transparante communicatie rondom het probleem meer mogelijk; het gevolg is polarisatie en strijd maar deze uiting is in hogere zin niets anders dan een vorm van vermijding. Het is makkelijker om de ander te diskwalificeren en vast te houden aan eigen gelijk dan te onderkennen dat er sprake is van een patstelling waar moeilijk uit te geraken is zonder met elkaar samen te werken.


Partijen proberen vaak uit een dilemma te komen door zichzelf (en anderen) te dwingen om toch een keuze te maken. Zij dragen dan diverse redenen aan waarom één van de alternatieven het beste is. Het pijnlijke hieraan is dat geen enkele oplossing die één van de opties binnen het dilemma ondersteunt, uiteindelijk geaccepteerd zal worden; dit ondermijnt namelijk het bestaansrecht van de andere optie. De uitweg ligt dan ook niet in een geforceerde keuze, maar in het veranderen van het construct (simpel gezegd het denkkader) van de betrokkene(n). Indien één van de partijen de ander zijn wil kan opdringen dan lijkt het dilemma opgelost te worden. Het nadeel is echter dat het vermogen om in de toekomst tot vruchtbare samenwerking te komen verder ondermijnd wordt. Daarnaast is er weinig kans op draagvlak. Gelet op de commotie in de samenleving en bij de CDA achterban rondom het probleem ‘Mauro’ is het machtswoord dus risicovol.


Mijns inziens is juist van belang wat alle partijen zo veel mogelijk proberen te vermijden: vertragen. De eerste stap hiertoe is een grondig (en dus traag) onderzoek van het dilemma en de voor- en nadelen van beide opties, waarbij het machteloze gevoel enigszins teruggedrongen wordt door de actieve inzet van de betrokkene(n); dit is echter niet gemakkelijk. In het geval van Mauro (en soortgelijke gevallen) is het van belang om te onderkennen dat twee paradigma’s onverenigbaar lijken en de uiteinden zijn van een dilemma. Het betekent in zekere zin onderkennen dat een afspraak, een wet, beleid dat in het verleden tot stand is gekomen, opnieuw moet worden getoetst aan de realiteit, het maatschappelijke draagvlak en het politieke landschap. Terug naar de tekentafel dus! Mocht het lukken om er uit te komen dan is er ook op andere fronten veel gewonnen omdat het bijdraagt tot een meer duurzame samenwerking binnen onze volksvertegenwoordiging. Het wederzijds vertrouwen kan dan juist toenemen. De hamvraag luidt dus wat mij betreft: is men in de politieke arena bereid om te vertragen en te leren of is men ‘hardLeers’? 


maandag 10 oktober 2011

Werk jij evidence based?


In een overtuigend artikel in de New York Times koppen de gerenommeerde hoogleraren Jeffrey Pfeffer en Robert Sutton:‘trust the evidence, not your instincts’. Zij betogen dat er binnen organisaties veel besluiten worden genomen of gebruiken zijn waarvan wetenschappelijk onomstotelijk is aangetoond dat ze niet werken of op z’n minst een aantal negatieve bijwerkingen hebben.

Hoe komt het toch dat wetenschappelijk bewijs vaak wordt genegeerd? Er zijn volgens mij meerdere antwoorden mogelijk. Zo zijn Wetenschap en Praktijk twee op zichzelf staande werelden. Uit de enorme stapels wetenschappelijke artikelen en boeken is het moeilijk kiezen voor de leek maar ook voor de groep goed opgeleide professionals. Wie leest er vandaag de dag nog regelmatig (actuele) wetenschappelijke artikelen? Daarnaast slagen de meeste wetenschappers vanuit hun ivoren toren er niet of nauwelijks in, hun boodschap te vertalen naar de weerbarstige praktijk. Een derde reden is dat menig managementconsultant, trainer, coach en andere ‘vertaler’ regelmatig lijdt aan een vorm van zelfoverschatting. Deze beroepsgroep, die een belangrijke brugfunctie heeft tussen wetenschap en praktijk, dient zeker in de spiegel te kijken. Is hun gedrag en advies evidence based? Zij zouden immers wat dichter bij de kennis-bron moeten staan. De wereld van organisatie-hulpverleners is enorm versnipperd, laat staan dat er een eenduidige lijn is met de (management)wetenschap.



Resultaten van wetenschappelijk onderzoek kunnen zeker passend en inzichtgevend zijn. Helaas zijn veel problemen stroperig, hardnekkig en ronduit ingewikkeld. De behoefte van veel managers aan ‘quick fixes’ en ‘miracle cures’ is juist in dit soort situaties vaak hoog. Er is vaak geen tijd om alles rustig te overzien en te doorvoelen en er wordt dan tot actie over gegaan. De probleemoplossing wordt bijvoorbeeld uitbesteed aan een derde partij. Deze partij wil maar al te graag ‘helpen’, gelooft in zichzelf en in zijn methode want dit heeft tenslotte elders ook gewerkt. Hulpvrager, gevoed door hulpgever, creëert vervolgens een tijdelijke illusie: ‘het gaat goed komen’ maar de vraag is of deze door hoop ingegeven visie op het probleem, gestoeld is op realisme. Het punt is vaak dat in de samenwerkingsrelatie er vaak geen ruimte is voor onzekerheid en niet-weten. De opdrachtgever wil een oplossing en heeft geen behoefte aan een onzekere opdrachtnemer die het ook niet weet. Het effect is vaak dat er doorgeploeterd wordt met meer van hetzelfde. Bij het uitblijven van resultaat krijgen gevoelens van machteloosheid en teleurstelling dan de overhand en krijgt er vaak achteraf één partij de schuld van het falen.

Pfeffer en Sutton pleiten voor evidence based management. Ik sluit me graag aan bij deze denkers die ik hoog heb zitten, maar ben bang dat er ook een risico is. Wetenschappelijk bewijs is niet zalig makend en vaak verkregen onder specifieke omstandigheden. Er is altijd sprake van een situatie waarin er een vertaalslag gemaakt moet worden door mensen. Vertaalfouten liggen op de loer. Iedere situatie heeft unieke kanten. Daarnaast is de vercommercialisering van de wetenschap verontrustend...

Manfred Kets de Vries die wat meer vanuit een diepte-psychologisch perspectief redeneert gooit nog wat extra olie op het vuur: ‘ogenschijnlijk rationele verklaringen voor bepaalde beslissingen blijken dikwijls klinkklare nonsens, rationalisaties die achteraf zijn gefabriceerd om te verklaren hoe intrapsychische thema’s zijn overgeheveld naar de externe realiteit’. Onbewuste persoonlijke drijfveren van alle betrokkenen maken het nagenoeg onmogelijk om goed na te denken en dus ‘evidence based’ te handelen. In zijn boek “Sex, Money, Happiness en Death” beschrijft Kets de Vries op een mooie manier hoe hij zelf opereert tussen de academische wereld en de ‘echte’ wereld en tracht om op zijn manier een brug te slaan en met zijn positie worstelt.

Managementdenkers zoals Pfeffer en Sutton kunnen wellicht lering trekken uit de verwikkelingen die er momenteel in psychologen-land zijn rondom het evidence based (be)handelen. Wie kan het er mee oneens zijn dat het handelen van behandelaars gedragen wordt door wetenschappelijk bewijs in de vorm van duidelijke protocollen? Maar wat is ‘evidence’? Wat werkt bij welk type probleem? Hoe meten we effect? Hoe tonen we aan dat iets wat moeilijk meetbaar is wel kan werken? Tenslotte hoe zorgen we dat de beroepsgroep ook gaat werken conform de ‘werkende’ receptuur? Los van onderliggende complexiteit is het moeilijk om tot een afgewogen oordeel te komen in een politiek krachtenspel met allerlei machtsblokken.

Tijdens mijn opleiding Systemische Psychotherapie (ISP, Jos Truyens) ligt de aandacht regelmatig bij stagnaties in veranderprocessen. Daar waar beproefde recepten niet werken is het van belang om van de behandeling af te kunnen wijken en iets anders te proberen. Daar loopt het vaak mank. Kortom: gebruik maken van ‘evidence based’ kennis en receptuur lijkt mij een must zolang er niet op de automatische piloot wordt gevlogen. De piloten in een samenwerkingsrelatie zullen altijd zelf moeten blijven nadenken en dat gaat als ik de wetenschap moet geloven veelal intuïtief, onbewust en instinctief… Ik zou dus zeggen trust the evidence and your instinct. Laten we ophouden met te denken dat ieder probleem oplosbaar is en er altijd een (wetenschappelijke) oplossing voor handen is.

Mijn advies voor iedere manager die te maken heeft met stagnerende, hardnekkige en complexe vraagstukken, waarbij de ‘last’ aanzienlijk is: wantrouw een ieder die roept dat met methode x of y het probleem kan worden opgelost. Ga niet over één nacht ijs en zoek vooral naar mogelijkheden om het perspectief op het probleem te belichten en te verbreden. Aan de andere kant: degene die als derde partij wordt gevraagd om ‘hulp te verlenen’ dient zich niet te gemakkelijk te laten verleiden om een beproefd medicijn te presenteren maar op ‘zijn handen te gaan zitten’.  Tot mijn grote schrik moet ik nu bekennen dat deze tips (nog) niet evidence based zijn!